Bouwsector telt 412 faillissementen in Q2, hoogste aantal sinds 2013
Het aantal faillissementen in de bouw steeg in het tweede kwartaal met 23 procent naar 412 bedrijven, het hoogste niveau sinds de nasleep van de financiële crisis. Kleine aannemers en installatiebedrijven worden het hardst geraakt.
Het aantal faillissementen in de bouw steeg in het tweede kwartaal van 2026 met 23 procent naar 412 bedrijven, blijkt uit data van het Centraal Insolventieregister. Daarmee bereikt de sector het hoogste faillissementsniveau sinds 2013, toen de bouw nog herstelde van de financiële crisis. In het tweede kwartaal van 2025 werden 335 bouwbedrijven failliet verklaard.
De stijging concentreert zich bij kleine aannemers en installatiebedrijven met minder dan tien werknemers. Hoge materiaalkosten en oplopende rente op bedrijfskredieten worden door curatoren het vaakst genoemd als oorzaken van de faillissementen. De combinatie van stijgende kosten en krappere financiering zet vooral kleinere bedrijven onder druk, die minder buffer hebben om tegenvallers op te vangen.
Context: bouwsector onder druk sinds 2024
De bouwsector kampt sinds eind 2024 met een combinatie van ongunstige factoren. De materiaalkosten stegen tussen 2024 en 2026 met gemiddeld 18 procent, terwijl de rente op bedrijfskredieten opliep van 3,2 procent begin 2024 naar 5,8 procent in het eerste kwartaal van 2026. Tegelijkertijd daalde het aantal vergunningen voor nieuwbouwprojecten met 12 procent in 2025.
De huidige faillissementsgolf overtreft die van 2020, toen de coronapandemie zorgde voor 287 faillissementen in het tweede kwartaal. Het niveau van 412 faillissementen ligt dichter bij de piek van 2013, toen 441 bouwbedrijven failliet gingen in het tweede kwartaal. Destijds herstelde de sector van de kredietcrisis en de instorting van de woningmarkt tussen 2008 en 2012.
De bouwsector telde begin 2026 ongeveer 87.000 bedrijven, waarvan ruim 70 procent minder dan tien werknemers heeft. De sector is daarmee sterk gefragmenteerd, met veel zelfstandigen en kleine aannemers die afhankelijk zijn van opdrachten van grotere partijen of particulieren.
Regionale verschillen
Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant noteren de meeste faillissementen. In Noord-Holland gingen 89 bouwbedrijven failliet in het tweede kwartaal, in Zuid-Holland 94 en in Noord-Brabant 76. Deze drie provincies vertegenwoordigen samen 63 procent van alle bouwfaillissementen in het tweede kwartaal.
In de Randstad daalde het aantal nieuw opgerichte bouwbedrijven tegelijkertijd met 8 procent ten opzichte van het tweede kwartaal van 2025. Dat wijst op terughoudendheid bij startende ondernemers, die de huidige marktomstandigheden als ongunstig inschatten. Het aantal nieuwe inschrijvingen in het Handelsregister voor bouwgerelateerde activiteiten daalde van 1.240 in Q2 2025 naar 1.141 in Q2 2026.
De daling van nieuwe toetreders versterkt de neerwaartse spiraal: minder concurrentie kan op korte termijn prijzen stabiliseren, maar op langere termijn leidt het tot minder capaciteit en innovatie in de sector. Vooral in de Randstad, waar de vraag naar nieuwbouw en renovatie structureel hoog blijft door woningtekorten, kan dit leiden tot verdere vertragingen in bouwprojecten.
Gevolgen voor aanverwante sectoren
De faillissementsgolf treft niet alleen bouwbedrijven zelf, maar ook toeleveranciers en onderaannemers. Installatiebedrijven, schilders, stukadoors en leveranciers van bouwmaterialen zien opdrachten wegvallen en lopen risico op oninbare vorderingen. Curatoren melden dat gemiddeld 8 tot 12 crediteuren betrokken zijn bij elk faillissement, met openstaande vorderingen die variëren van 15.000 tot 250.000 euro per bedrijf.
De totale schade voor crediteuren wordt geschat op 45 tot 60 miljoen euro voor het tweede kwartaal alleen. Dat bedrag omvat zowel openstaande facturen als geleverde materialen en vooruitbetaalde diensten. Vooral kleine toeleveranciers, die zelf weinig financiële buffer hebben, komen daardoor in de problemen.
Ook gemeenten en woningcorporaties ondervinden gevolgen. Projecten lopen vertraging op wanneer aannemers failliet gaan, en nieuwe aanbestedingen moeten worden uitgeschreven. Dat vertraagt de realisatie van sociale woningbouw en renovatieprojecten, juist in een periode waarin de politieke druk om het woningtekort aan te pakken hoog is.
Vooruitzicht: verdere daling verwacht
Branchevereniging Bouwend Nederland verwacht voor de tweede helft van 2026 een verdere afname van het aantal nieuwbouwprojecten, vooral in de utiliteitsbouw. Kantoren, winkels en bedrijfspanden worden minder gebouwd door onzekerheid over economische groei en veranderende vraag naar kantoorruimte. De woningbouw blijft vooralsnog stabieler, gedreven door overheidsprogramma's en woningtekorten.
De branchevereniging schat dat het aantal faillissementen in het derde kwartaal op vergelijkbaar niveau blijft, tussen 380 en 420 bedrijven. Pas in 2027 wordt herstel verwacht, mits de rente stabiliseert en materiaalkosten dalen. De Europese Centrale Bank signaleerde in april 2026 dat verdere renteverhogingen onwaarschijnlijk zijn, wat enige verlichting kan bieden voor bedrijven die afhankelijk zijn van krediet.
Voor ondernemers in de bouw betekent dit dat liquiditeitsbeheer en risicospreiding cruciaal blijven. Bedrijven die afhankelijk zijn van enkele grote opdrachtgevers of die werken met dunne marges, lopen het grootste risico. Diversificatie naar onderhoud en renovatie, sectoren die minder conjunctuurgevoelig zijn, kan helpen om de huidige periode door te komen.
Redactie ondernemers.net
De redactie van ondernemers.net brengt dagelijks nieuws voor Nederlandse ondernemers, op basis van publieke databronnen zoals het CIR (faillissementen), RVO (subsidies), CBS (sectorcijfers) en officiële persberichten.