Pensioenfondsen in nieuw stelsel getroffen door beursdalingen
De drie pensioenfondsen die begin 2026 overstapten naar het nieuwe pensioenstelsel hebben last van de onrust rond de Perzische Golf. Bpf Bouw, PFZW en Pensioenfonds Metaal en Techniek melden dat pensioenverhogingen in 2027 onwaarschijnlijk zijn, maar verlaging kan worden voorkomen dankzij voldoende buffers.
De drie pensioenfondsen die met de jaarwisseling zijn overgestapt op het nieuwe pensioenstelsel hebben te maken met negatieve beleggingsresultaten in het eerste kwartaal van 2026. Pensioenfonds Metaal en Techniek, Bpf Bouw en Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) publiceerden op 16 mei hun kwartaalcijfers. Alle drie hinten erop dat pensioenverhogingen in 2027 onwaarschijnlijk zijn door de gedaalde beleggingsrendementen. De fondsen stellen wel dat hun buffers groot genoeg zijn om verlagingen te voorkomen.
De negatieve resultaten zijn een direct gevolg van de escalatie van het conflict in het Midden-Oosten, dat sinds begin 2026 de financiΓ«le markten onder druk zet. De onrust rond de Perzische Golf leidde tot sterke koersdalingen op aandelenbeurzen wereldwijd, stijgende olieprijzen en toegenomen volatiliteit op obligatiemarkten. Pensioenfondsen, die voor een groot deel beleggen in aandelen en obligaties, kregen hierdoor klappen op hun portefeuilles.
Drie weken eerder, eind april 2026, meldden ook pensioenfondsen die nog onder het oude stelsel vallen dat zij last hadden van de marktomstandigheden. Ambtenarenfonds ABP, het grootste pensioenfonds van Nederland met circa 3,2 miljoen deelnemers en een belegd vermogen van ongeveer 550 miljard euro, zag zijn dekkingsgraad dalen. Ook PME, het pensioenfonds voor de metaal- en technologiesector met circa 440.000 deelnemers en een vermogen van 65 miljard euro, rapporteerde een lagere dekkingsgraad. Voor deze fondsen betekent een dalende dekkingsgraad dat de kans op indexatie, het verhogen van pensioenen met de inflatie, kleiner wordt.
De drie fondsen die nu met cijfers komen, opereren sinds 1 januari 2026 onder het nieuwe pensioenstelsel. Dit stelsel, officieel het Wet toekomst pensioenen (Wtp) genoemd, vervangt het oude systeem van collectieve pensioenopbouw door een systeem van individuele pensioenpotjes. Deelnemers bouwen hun eigen pensioenvermogen op, dat wordt belegd volgens een leeftijdsafhankelijke strategie. Voor jongere deelnemers wordt met meer risico belegd, vooral in aandelen, omdat zij nog decennia hebben om verliezen te herstellen. Naarmate deelnemers ouder worden, verschuift de beleggingsmix naar minder risicovolle beleggingen zoals obligaties en liquiditeiten.
Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) is het pensioenfonds voor werknemers in de metaal- en technische industrie, met circa 800.000 deelnemers en een belegd vermogen van ongeveer 80 miljard euro. Bpf Bouw is het bedrijfstakpensioenfonds voor de bouwsector, met circa 450.000 deelnemers en een vermogen van 50 miljard euro. Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) is het grootste van de drie, met circa 3 miljoen deelnemers uit de zorg-, welzijns- en maatschappelijke dienstverlening, en een belegd vermogen van ongeveer 280 miljard euro. Samen vertegenwoordigen deze drie fondsen ruim 4,2 miljoen deelnemers en een vermogen van circa 410 miljard euro.
De overgang naar het nieuwe stelsel betekent dat de traditionele dekkingsgraad, het belangrijkste cijfer onder het oude stelsel, minder relevant wordt. De dekkingsgraad geeft aan of een pensioenfonds genoeg vermogen heeft om alle huidige en toekomstige pensioenverplichtingen te dekken. Een dekkingsgraad van 100 procent betekent dat voor elke euro aan verplichtingen ook een euro in kas is. Boven de 100 procent is er een buffer, onder de 100 procent is er een tekort. In het oude stelsel moesten fondsen bij een te lage dekkingsgraad pensioenen verlagen, en bij een voldoende hoge dekkingsgraad konden zij indexeren.
In het nieuwe stelsel hebben deelnemers individuele pensioenpotjes, waarvan de waarde direct afhankelijk is van de beleggingsresultaten. Dit betekent dat verliezen op de beurs direct doorwerken in de waarde van het individuele pensioenvermogen. Voor jongere deelnemers, die nog lang niet met pensioen gaan, is dit minder problematisch, omdat zij tijd hebben om verliezen te herstellen. Voor oudere deelnemers en gepensioneerden is de impact groter, omdat zij minder tijd hebben en hun vermogen al grotendeels is omgezet in pensioenuitkeringen.
Om gepensioneerden te beschermen tegen sterke schommelingen in hun uitkeringen, hebben de fondsen buffers opgebouwd. Deze buffers, ook wel solidariteitsreserves genoemd, kunnen worden ingezet om schokken op te vangen en te voorkomen dat pensioenen abrupt moeten worden verlaagd. De drie fondsen stellen dat hun buffers groot genoeg zijn om de klappen van het eerste kwartaal op te vangen, zodat pensioenen in 2027 niet hoeven te worden verlaagd. Wel is de kans op verhoging van de uitkeringen klein geworden.
Impact van geopolitieke onrust
De onrust rond de Perzische Golf heeft meerdere effecten op financiΓ«le markten. Ten eerste leidt het tot sterke koersdalingen op aandelenbeurzen. Beleggers worden voorzichtiger en verkopen risicovolle beleggingen, wat leidt tot lagere aandelenkoersen. Pensioenfondsen hebben gemiddeld 40 tot 60 procent van hun vermogen belegd in aandelen, waardoor zij direct worden geraakt door deze dalingen. Voor een fonds met 100 miljard euro belegd vermogen en 50 procent in aandelen, kan een koersdaling van 10 procent leiden tot een verlies van 5 miljard euro.
Ten tweede stijgen olieprijzen bij onrust in het Midden-Oosten, omdat de regio verantwoordelijk is voor een groot deel van de wereldwijde olieproductie. Hogere olieprijzen leiden tot hogere inflatie, wat de koopkracht van gepensioneerden aantast. Pensioenfondsen proberen pensioenen jaarlijks te verhogen met de inflatie, maar bij negatieve beleggingsresultaten is dit niet mogelijk. Gepensioneerden zien dan hun koopkracht dalen.
Ten derde leidt geopolitieke onrust tot hogere volatiliteit op obligatiemarkten. Obligaties zijn schuldbewijzen uitgegeven door overheden en bedrijven, en vormen een belangrijk onderdeel van de beleggingsportefeuille van pensioenfondsen. Bij onzekerheid stijgen de rentes op obligaties, wat leidt tot lagere koersen van bestaande obligaties. Dit kan leiden tot verliezen op de obligatieportefeuille.
De combinatie van deze factoren heeft geleid tot negatieve rendementen in het eerste kwartaal van 2026. Hoewel de fondsen geen exacte cijfers hebben gepubliceerd, wijzen hun mededelingen erop dat de rendementen enkele procenten negatief zijn geweest. Voor een fonds met 100 miljard euro vermogen kan een rendement van -3 procent leiden tot een verlies van 3 miljard euro in één kwartaal.
Voor deelnemers aan deze pensioenfondsen betekent dit dat de waarde van hun individuele pensioenpot is gedaald. Voor jongere deelnemers, die nog 20 tot 40 jaar hebben tot hun pensioen, is dit op korte termijn geen groot probleem. Historisch gezien herstellen aandelenmarkten zich na crises, en over langere periodes leveren aandelen gemiddeld 6 tot 8 procent rendement per jaar op. Voor oudere deelnemers en gepensioneerden is de impact groter, omdat zij minder tijd hebben om verliezen te herstellen en hun uitkeringen direct afhankelijk zijn van de waarde van hun pensioenvermogen.
De fondsen benadrukken dat de buffers voldoende zijn om pensioenen in 2027 op hetzelfde niveau te houden. Dit betekent dat gepensioneerden geen verlaging hoeven te vrezen, maar ook geen verhoging kunnen verwachten. In een jaar waarin de inflatie naar verwachting 2 tot 3 procent bedraagt, betekent dit een reΓ«el koopkrachtverlies van enkele procenten.
Vergelijking met oude stelsel
Onder het oude pensioenstelsel werden beleggingsresultaten collectief verdeeld over alle deelnemers. Bij goede resultaten konden alle pensioenen worden verhoogd, bij slechte resultaten moesten alle pensioenen worden verlaagd of bleef indexatie achterwege. Dit systeem bood meer stabiliteit voor gepensioneerden, maar minder transparantie en minder individuele keuzevrijheid.
In het nieuwe stelsel zijn de resultaten directer zichtbaar in de individuele pensioenpotjes. Dit biedt meer transparantie, maar ook meer volatiliteit. Deelnemers zien hun pensioenvermogen stijgen en dalen met de markten. Voor sommige deelnemers is dit een voordeel, omdat zij profiteren van goede beleggingsresultaten. Voor anderen is het een nadeel, omdat zij te maken krijgen met verliezen op momenten dat zij daar kwetsbaar voor zijn.
De fondsen die nog onder het oude stelsel vallen, zoals ABP en PME, hebben te maken met dalende dekkingsgraden. Voor hen geldt dat een dekkingsgraad onder de 100 procent kan leiden tot verplichte kortingen op pensioenen. Een dekkingsgraad boven de 110 procent is nodig om te mogen indexeren. De dalende dekkingsgraden bij deze fondsen betekenen dat ook voor hun deelnemers indexatie in 2027 onwaarschijnlijk is.
De overgang naar het nieuwe stelsel vindt gefaseerd plaats. Alle pensioenfondsen moeten uiterlijk 1 januari 2028 zijn overgestapt. Fondsen die eerder overstappen, zoals PMT, Bpf Bouw en PFZW, lopen voorop en fungeren als proefkonijn voor de rest van de sector. Hun ervaringen met de eerste marktschokken onder het nieuwe stelsel zijn waardevol voor andere fondsen die nog moeten overstappen.
Gevolgen voor deelnemers
Voor de 4,2 miljoen deelnemers aan de drie fondsen betekent het nieuws dat zij in 2027 waarschijnlijk geen verhoging van hun pensioen krijgen. Voor gepensioneerden, circa 800.000 mensen bij deze drie fondsen, betekent dit een koopkrachtverlies van 2 tot 3 procent als de inflatie op dat niveau blijft. Voor een gepensioneerde met een bruto pensioenuitkering van 2.000 euro per maand, betekent dit een reΓ«el verlies van 40 tot 60 euro per maand aan koopkracht.
Voor werkenden die nog pensioen opbouwen, betekent het dat de waarde van hun pensioenpot is gedaald. Voor een 35-jarige deelnemer met een pensioenpot van 50.000 euro, kan een rendement van -3 procent leiden tot een verlies van 1.500 euro. Over een periode van 30 jaar tot het pensioen is dit verlies waarschijnlijk te herstellen, maar het illustreert wel de volatiliteit van het nieuwe stelsel.
Voor werkgevers die bijdragen aan deze pensioenfondsen, verandert er op korte termijn weinig. De premies blijven op hetzelfde niveau, tenzij de fondsen besluiten tot aanpassingen. In het nieuwe stelsel zijn premies stabieler dan in het oude stelsel, omdat er geen herstelplannen meer nodig zijn bij een te lage dekkingsgraad.
De komende maanden zullen cruciaal zijn voor de verdere ontwikkeling van de pensioenen. Als de onrust in het Midden-Oosten afneemt en de markten herstellen, kunnen de verliezen uit het eerste kwartaal worden goedgemaakt. Als de onrust aanhoudt of escaleert, kunnen de verliezen oplopen en kan ook het scenario van pensioenverlagingen in beeld komen, ondanks de buffers.
De fondsen zullen in de loop van 2026 meerdere keren rapporteren over hun beleggingsresultaten. De kwartaalcijfers over het tweede kwartaal, die in augustus worden gepubliceerd, geven een beter beeld van de trend. Pas tegen het einde van 2026 wordt duidelijk of indexatie in 2027 mogelijk is.
Voor de pensioensector als geheel is dit een belangrijke test voor het nieuwe stelsel. De vraag is of deelnemers de volatiliteit accepteren en begrijpen, of dat er roep komt om aanpassingen. De komende jaren zullen laten zien of het nieuwe stelsel beter bestand is tegen marktschokken dan het oude, of dat de individualisering leidt tot grotere onzekerheid voor deelnemers.
Redactie ondernemers.net
De redactie van ondernemers.net brengt dagelijks nieuws voor Nederlandse ondernemers, op basis van publieke databronnen zoals het CIR (faillissementen), RVO (subsidies), CBS (sectorcijfers) en officiΓ«le persberichten.